De zee kent vele geheimen

2.

Hij was dankbaar dat zijn ouders hem de volgende ochtend lieten uitslapen, hoewel hij al om halfnegen klaarwakker was. Misschien kwam het doordat hij zo diep en fijn had geslapen, of misschien door de geur van verse scones en eieren met spek die zijn weg door kiertjes en spleetjes tot bij hem vond. Hij nam de tijd met douchen en aankleden en toen hij eenmaal beneden bij de receptie kwam, stond zijn tante Amber alleen achter de balie op het toetsenbord van de computer te tikken.

      ‘Hé, kanjer!’ Amber sprak altijd gewoon Nederlands met haar neefje en nichtje, maar het accent was in al die jaren dik geworden. ‘Lekker geslapen?’

      ‘Ja, best wel.’

      ‘Je ouders en zusje zitten al in de eetzaal. Je kunt alles vragen wat je maar wil voor je ontbijt, Anton maakt het voor je.’

      ‘Lekker, ik lust wel wat.’ Patrick draaide zich al om.

‘Ho, lieverd, heb je nog heel even?’ Amber kwam met gehaaste bewegingen achter de balie vandaan. ‘Ik zie net het busje met onze bestellingen aan komen rijden en ik moet even wat dingen met de nieuweling afspreken, want dat liep niet gesmeerd de eerste keer!’ Ze pakte hem bij zijn elleboog alsof ze hem mee wilde sleuren om tegen de verkoper te gaan schreeuwen. Dat had Patrick nog liever gehad dan hetgeen ze hem daadwerkelijk vroeg. ‘Kun jij heel even de receptie overnemen tot ik terug ben? Duurt hopelijk niet lang. Thanks!’ Ze liep in draf van hem weg, sjorde de deur open en verdween met een geroepen groet naar buiten.

Patrick had niet eens de kans gehad ‘maar’ te zeggen. Hij keek opzij naar de balie, waar enkele flyers en brochures klaarlagen voor gasten. Het foldertje voor walvissen kijken viel het meeste op door de orka die half uit het water sprong. Dezelfde brochures en nog veel meer waren ook terug te vinden in het folderrek tussen de ingang en de receptie.

Aarzelend en met megaveel tegenzin deed hij een pas, waardoor hij achter de balie kwam te staan. Op het beeldscherm van de computer was een lijst met nummers en namen te zien, Patrick vermoedde van de kamers en gasten. Opengeklapt op het bureau van de receptie zag hij een grote agenda. Op de datum van die dag stond een agressieve rode cirkel om het woordje deli.

Net toen hij overwoog te proberen zijn zusje te seinen – die vele malen handiger en minder contactgestoord was dan hij in dit soort dingen – ging de deur opnieuw open. Half opgelucht wilde hij al naar adem snakken, maar het was niet Amber die naar binnen kwam.

.

De vrouw die binnenkwam, nam een zuchtje zeewind mee naar binnen. Ze had veel weg van de modellen die hij weleens in de modebladen van Judith had gezien, maar was veel … natuurlijker. Ze droeg geen enkel spoor van make-up rond haar grote, naar haar oren toe ietwat spits toelopende ogen of op haar fijngetekende lippen. Haar huid was mooi gebruind, wat de kleur in haar ogen prachtig accentueerde – een kleur die Patrick vanaf die afstand nog niet kon plaatsen. Haar neus was niet meer dan twee dunne lijntjes en een aanzet van neusvleugels en -gaten. Haar losse haren vielen tot voorbij haar heupen. Ze waren in- en in zwart. De golvende uiteinden ervan waren vochtig, alsof ze net had gezwommen.

Ze stond zo plotseling pal voor zijn neus, dat er voor zijn gevoel een stuk van vier seconden uit zijn perceptie was gesneden.

      ‘Een kamer?’ meende hij haar te horen zeggen, maar er klonk tegelijkertijd een geruis tussen zijn oren, waardoor hij niet zeker wist of ze dat had gezegd. Hij had niet de tegenwoordigheid van geest om op opheldering te vragen, hij was te druk bezig met staren. Hij wist wel beter dan naar haar overduidelijk aanwezige rondingen te kijken, die geaccentueerd werden in het mouwloze, lila jurkje dat ze droeg. Maar haar gezicht was al betoverend genoeg. Het hypnotiseerde hem.

‘Een kamer?’ zei ze nu nadrukkelijker. Geen enkel spiertje in haar gezicht bewoog mee, zelfs haar lippen kwamen minimaal van elkaar. Een glimlach kon er al helemaal niet vanaf. Fijn, een muze met een klotekarakter …

Toch besloot Patrick zijn beste beentje maar voor te zetten om zijn tante geen betalende klant afhandig te maken. Hij vergat echter zijn keel te schrapen en vroeg met lichtelijk overslaande stem: ‘Wilt u een kamer huren?’

‘Ja.’ Ook in haar stem lag iets hees’, dat Patrick kippenvel bezorgde. Ze hield haar intense blik al die tijd strak op hem gericht, hem recht in de ogen kijkend. Haar irissen waren groen, zag hij nu, als van fris gras, waar een klein beetje felgeel bij was gemengd.

Ondanks het feit dat Patrick handig was met computers, wilde hij niet aan die van Amber komen en dingen misschien in de war schoppen. Daarom zocht hij gehaast naar een stuk papier. Toen hij dat niet kon vinden, gebruikte hij uit noodzaak de agenda die voor hem lag en viste een balpen uit het pennenbakje. ‘Wat is uw naam?’

Ze antwoordde, maar opnieuw leek hij haar om de een of andere reden niet goed te kunnen verstaan. Als een zender die werd gestoord.

Hij keek naar haar op. ‘Sorry?’

Voor het eerst was er iets van emotie op haar gezicht te zien. Ze keek namelijk zeer bedenkelijk, waardoor haar smalle, elegante wenkbrauwen zich tot een lichte frons vormden. Maar het was een heel vluchtig moment en toen haar gelaat weer net zo strak was als eerder, gaf ze hem een nieuw antwoord. ‘Morgayne.’ Ze sprak het uit als Morgan en zo noteerde Patrick het ook, niet zo bekend met de Ierse schrijfwijze als zijn zusje. Tegelijkertijd besefte hij, dat haar accent niet van hier was en ze ook heel goed uit een niet-Engelstalig land kon komen. ‘En hoelang wilt u blijven?’

De deur van de ingang werd met kracht open geduwd en Amber kwam met een verhit hoofd terug naar binnen. ‘Achterlijke idioot!’ brieste ze in het Engels. Toen zag ze de vrouw staan, die opnieuw geen spier vertrok en niet eens omkeek. ‘Oh, neem mij niet kwalijk, beetje onnodig gedoe op de vroeger ochtend! Welkom in The Clearview!’ Ze dartelde om de balie heen tot ze naast Patrick stond. ‘Wil mevrouw een kamer huren?’

‘Ja.’ Aan de ene kant was hij blij dat ze terug was, aan de andere kant … Hij waagde het nog eens op te kijken en recht in Morgaynes prachtige ogen. Er trok iets achter zijn navel.

      ‘Thanks, neef, ik neem het wel weer over. Ga maar lekker ontbijten.’ Amber tikte iets op het toetsenbord, waardoor een nieuwe entry verscheen op het beeldscherm. ‘Hoelang wilt u bij ons blijven?’

      Patrick had graag meer willen horen, maar vond het ongepast te blijven staan als een nieuwsgierig luistervinkje. Hij schoof achter de balie vandaan. Vol verbazing zag hij vanuit een ooghoek dat Morgaynes blik hem volgde en haar hoofd zelfs een stukje met hem meedraaide.

 

‘Jee, wat heb jij een rood hoofd zeg,’ begroette Judith hem toen hij hun tafel had gevonden. ‘Lekkere douche gehad?’ Ze grijnsde liefjes, waarna ze een groot stuk van haar scone afbeet.

      ‘Judith, ik zweer je, als je je bek nou niet houdt …’

      ‘Hé, ho, effe rustig, ja!’ Frank zwaaide met een beboterd stuk toast. ‘Ga zitten en eet eerst wat. Bekvechten op een lege maag is levensgevaarlijk.’ Hij knipoogde naar zijn zoon, maar deze was te verhit – van irritatie en andere dingen – om er acht op te slaan.

      Patrick kwakte toast op het lege bord dat voor hem stond en trok de zoute boter naar zich toe.

      ‘Wat zullen we vandaag eens gaan doen?’ Frank was goed in mooi weer spelen als zijn kids weer eens met elkaar overhoop lagen. Het was zijn manier om met het eeuwige gekibbel om te gaan. Libby was vaak degene die de helse strijd met ze aanging om eindelijk vrede in huis te krijgen. Het driehoekschreeuwen was uitgevonden in huize McGerald.

      ‘Ik blijf vandaag lekker hier, als jullie het niet heel erg vinden,’ zei Biddy. Ze was net klaar met haar scone met dikke room bestrijken en nipte van haar thee. ‘Ik wil graag met Amber bijkletsen, we hebben elkaar al zo lang niet gezien. Bovendien is zij vanmiddag even een uurtje of twee weg voor zaken en haar baliemedewerker heeft een dag vrij, dus heeft ze mij gevraagd of ik de receptie dan even zou kunnen bemannen.’

      ‘Jammer, maar begrijpelijk,’ antwoordde Frank.

      ‘Dus ga jij maar lekker met de kinderen op stap.’

      ‘Ik blijf vandaag ook hier.’ Patrick kauwde op zijn toast. Om de een of andere reden had hij geen eetlust meer, ook al brulde zijn maag om voedsel.

      ‘Och, nee toch, ik wilde vandaag eigenlijk een lekkere wandeling naar The Beacon maken, het is zulk mooi weer.’ Frank trok daadwerkelijk een pruillip. Hij keek naar Judith. ‘Ga jij dan tenminste mee?’

      Judith zat op een intense manier naar Patrick te staren, die zich ongemakkelijk begon te voelen onder haar blik. Soms dacht hij dat ze net zo goed een tweeling hadden kunnen zijn, zo goed kon zij hem aanvoelen. Hij haar ook, maar die gave negeerde hij doorgaans. Hij kon haar gewoon horen denken ‘jij voert iets in je schild jongen, ik zie het aan je kop!’. Gelukkig liet ze varen wat ze op dat moment ook in haar hoofd had en antwoordde dat ze best mee wilde gaan.

      ‘Gezellig, meis,’ glunderde Frank. ‘Dan hoeven jullie met de lunch niet op ons te rekenen, want dan ga ik met mijn meissie lekker een vissie eten!’

      Judith schonk hem een brede glimlach. Vervolgens gleed haar blik terug naar Patrick, maar die concentreerde zich hard op zijn koffie.

 

 

 

 

4.

 

‘Ik heb het weten terug te dringen tot drie redenen.’ Judith stak gewichtig haar neus in de lucht en vouwde haar armen over elkaar. Ze had haar wandelschoenen al aan.

      Patrick wilde haar uit zijn kamer hebben, maar wist dat dat niet zonder geweld zou gaan. ‘Waar heb je het over?’ vroeg hij verveeld.

      ‘Je redenen om niet met pap en mij mee te gaan, terwijl ik weet hoe leuk je wandelen vindt.’

      ‘Gaat je niks aan.’ Hij liep naar zijn raam en zijn blik viel op het vergane kerkje. Misschien had hijzelf wel zojuist een tweede reden gevonden hier te blijven: die ruïne schreeuwde om verkenning. Hij kon zich vaag herinneren er als kind eens binnen te zijn geweest, maar er was toen niets bijzonders aan geweest. Nu hij de schim met de zaklamp de avond ervoor had gezien, vroeg hij zich af of er nu wel wat interessants te vinden zou zijn.

      ‘Nummer één: je gaat stiekem met je liefje bellen, althans je probeert haar te bellen, maar zij vindt je een stalker en zet haar telefoon uiteindelijk uit.’

      Patrick besefte dat hij niet meer aan Carla had gedacht sinds …

      ‘Nummer twee: je hebt iemand hier gezien die je aantrekkelijk vindt en je hoopt er vandaag mee in contact te kunnen komen.’

      Heel even had hij de neiging zich om te draaien, maar hij wist zich te vermannen.

      ‘Wat natuurlijk never nooit niet gaat lukken, maar dat terzijde,’ ging Judith vrolijk verder. ‘En dan nummer drie.’ Ze liet een stilte van maar liefst vijf tellen vallen voor ze haar derde reden afmaakte. ‘Je wilt naar de ruïne.’

      Nu kon Patrick niet anders dan zich met openhangende mond omdraaien. Dit was zo eerie dat hij zich niet in kon houden. ‘Hoe kom je daar bij?’

      Judiths mond vervormde, maar de grijns bleef op het laatste moment uit. ‘Jij hebt ook iemand gezien daar gisteravond?’

      ‘Ja, er liep iemand rond met een zaklamp.’

      Ze schokschouderde. ‘Dat hoeft niets te betekenen, hij kan iets kwijt geweest zijn, of zijn hond uitgelaten hebben.’

      ‘Lijkt me niet dat iemand iets gaat zoeken in het donker en ik heb geen hond gehoord of gezien.’

      De ingehouden grijns ontglipte haar nu toch. ‘Dus je vindt het de moeite waard daar eens te gaan neuzen?’

      ‘Zou kunnen.’ Hij probeerde onverschillig te doen.

      ‘Beloof me dat je niet zonder mij gaat.’ Haar blik werd ernstig.

      ‘Waarom zou ik dat beloven?’

      ‘Omdat je weet dat ik gemeen kan zijn.’

      ‘Je hebt niets om tegen me …’

      ‘Ik weet dat je een foto van Carla in je nachtkastje hebt en dat je …’

      ‘Ja, ho maar!’ Patrick sprong op haar af om haar eventueel de mond te kunnen snoeren als ze zou besluiten verder te gaan. Ze wist blijkbaar al meer dan hem lief was.

      ‘Braaf zo.’ Ze haalde haar armen van elkaar. ‘Dan zie ik je straks wel.’

 

‘Pap, wacht!’

      Patrick bereikte zijn vader en Judith, die met Amber op de oprit van The Clearview stonden. Ze waren in gesprek met een buurvrouw die er echt Iers uitzag, inclusief vurig rode krullen, al begonnen die hier en daar al wat te vervagen en naar grijs te neigen. Ze had een zeer ouderwetse bloemetjesjurk aan, die haar plompe figuur een beetje als een rollade bijeen hield. Het schort dat ze droeg, was nog drukker bebloemd en vloekte lelijk bij haar jurk.

      ‘Jongen, ga je toch mee?’ Frank keek omlaag naar Patricks wandelschoenen.

      In feite was Patrick blij dat hij nog op tijd was. Hij had beseft dat wachten en hopen nog een glimp op te vangen van de mysterieuze Morgayne behoorlijk idioot was voor een twintigjarige. Bovendien hield hij inderdaad heel erg van wandelen en wandelen met zijn vader was altijd een avontuur. Hij wist veel van de natuur en kwam altijd wel met interessante verhalen. Het maakte niet uit of Patrick en Judith sommige al tientallen malen hadden gehoord.

      ‘Ja, als het nog mag,’ zei hij.

      ‘Graag!’

      Judith kneep één oog dicht, maar leek eveneens tevreden met zijn beslissing.

      ‘De buurvrouw was een jurk kwijt,’ zei ze tegen hem toen ze de oprit af liepen en de straat naar rechts in draaiden.

      ‘Een jurk?’

      ‘Ja, een lila jurk met kanten franjes aan de mouwen en zoom. Zomaar van haar waslijn geplukt, als je haar mag geloven. Misschien gewoon te diep in het whiskyglaasje gekeken, als je het mij vraagt.’

      Frank moest erom grinniken.

      ‘Ze was vergeten tegen de politie te zeggen dat het om de jurk van haar dochter gaat, dus dat ze niet naar een tent of iets dergelijks zoeken.’

      ‘Judith, gedraag je.’ Frank bedoelde het als een standje, maar de lachkriebels hadden nog de overhand.

      ‘Vaag,’ vond Patrick. ‘Waarom zou je een jurk van een waslijn stelen?’

      ‘Nou ja, misschien was er wel een vrouw die hier naakt rond liep en dringend kleding nodig had, zou toch kunnen?’ Daar moest ze zelf om lachen.

      ‘Het mysterie zal zichzelf wel oplossen,’ zei Frank. ‘Laten we het over iets anders hebben. Die keer bijvoorbeeld dat ik met je moeder en haar vader ook naar The Beacon gewandeld ben en we die man met die papegaai op zijn schouder tegenkwamen.’

      Patrick en Judith wisselden een geamuseerde blik.

 

Het strand bij de kliffen van The Beacon was niet erg groot, maar daar waren Frank en zijn kinderen ook niet voor gekomen. Na een kleine drie km te hebben gewandeld, wilden ze hier even wat zitten en genieten van het prachtige uitzicht op zee. Het vreemde was alleen, dat er geen levende ziel te bekennen was rondom The Beacon, die als een soort witte raket naar de hemel wees.

      ‘Judith, niet te dicht bij die rand,’ riep Frank.

      ‘Pa-hap, ik ben toch geen klein kind meer.’ Als om haar woorden kracht bij te zetten, boog Judith een stukje naar voren op een punt waar de hoge klif bijna loodrecht omlaag helde naar de verraderlijker rotsen in het water.

      Patrick pakte haar bij een elleboog en gaf er een rukje aan. Hij kende de avontuurlijke, soms lichtelijk irrationele geest van zijn zusje maar al te goed. Ze was als klein kind al eens zeven hoog van het balkon van hun tante Agnes gemieterd. Toen had ze nog koorddanseres willen worden en de balustrade gebruikt om te oefenen. Het zou hem niet eens verbazen als ze van deze klif af zou donderen, maar hij had niet zoveel zin haar resten straks van de rotsen te moeten schrapen.

      Judith maakte een ondefinieerbaar geluid, maar het klonk niet geërgerd en ze verweerde zich ook niet.

      ‘Wat?’ Terwijl hij haar vast bleef houden, boog Patrick zelf voorzichtig een stukje naar voren om langs de klif omlaag te kunnen kijken. Hij kon het beeld eerst niet plaatsen – het deed hem denken aan een slechte SF-film die hij ooit had gezien, waarin buitenaardse wezens aanspoelden aan het strand van Miami Beach. Het waren echter geen buitenaardse wezen die hij op het strand zag. Het waren walvissen. Drie stuks: een bultrug en twee potvissen. Er begonnen zich al groepjes mensen omheen te vormen.

      ‘Zijn ze dood?’ Judiths stem klonk afgeknepen.

      ‘Wat is er toch?’ Frank kwam dichterbij en keek over Patricks schouder. Hij zoog snel en luidruchtig zijn longen vol lucht. ‘Jongens …’

      ‘Ik ga kijken!’ Met een ruk week Judith weg van de klifrand en draaide zich om om weg te lopen.

      ‘Drie stuks,’ zei Patrick vol ongeloof. ‘Hoe kan dat, pap?’

      Frank schudde zeer traag zijn hoofd. Zijn openhangende mond bewoog niet toen hij antwoordde. ‘Geen idee …’ Vlak daarop moest hij echter Judith een halt toe roepen, die in haar haast om op het strand te komen niet voor de daarvoor bestemde, veiligere weg omlaag dreigde te kiezen.         

      ‘Maar pap, dit is veel sneller, kom op!’ Ze minderde nauwelijks vaart en was al een vijftal meters gevorderd. Het “pad” dat ze omlaag ging, was niet meer dan zand tussen gras en rotsen door, dat ook nog eens behoorlijk steil omlaag helde.

      ‘Judith, nu.’ De dreigende, harde galm in Franks stem bracht Judith eindelijk tot een halt. Met een stuurs gezicht klom ze het stuk dat ze al had afgelegd terug omhoog.

 

De drukte op het strand was rap toegenomen in de tijd dat het drietal nodig had gehad om beneden te komen. Dat maakte echter nauwelijks verschil voor de zichtbaarheid van de kolossale dieren. Inmiddels was ook de strandwacht en zelfs de politie gearriveerd. In de verte kwam een dierenambulance over het strand aangereden.

      ‘Nee!’ Judith schoot vooruit richting de waterlijn. ‘Dolfijnen!’

      Patrick haalde haar in. De twee zoogdieren die vlak naast elkaar in het zand lagen, waren geen dolfijnen, maar bruinvissen. Het was net een echtpaar dat samen de dood had gevonden. Want dat de drie walvissen en deze bruinvissen dood waren, was niet alleen te zien, maar ook te ruiken. Patrick had geen idee hoe lang geleden ze allemaal waren aangespoeld, maar het leek alsof het ontbindingsproces al was begonnen.

      ‘Wat zielig.’ Judith had de tranen al in de ogen staan. Ze kon bikkelhard zijn en keek de meest afgrijselijke horrorfilms, maar als het om dieren ging, kon ze niets hebben.

      ‘Dit is echt ongehoord,’ bromde Frank.

      Patrick maakte zich met opkomende misselijkheid los van zijn vader en zusje om een stuk verder te lopen, langs de eerste potvis en de bultrug. Hij voelde hoe het grote ontzag dat hij voor de dieren had zich vermengde met een intens verdriet. Het overrompelde hem zo, dat hij bleef steken, vlak bij de tweede potvis.

      ‘Mensen, mensen, houd alstublieft afstand!’ riep een politieagent. ‘Ik moet u dringend verzoeken uit de buurt te gaan!’

      De gedachte drong zich aan Patrick op dat de beesten zouden kunnen ontploffen. Het was niet meer dan verstandig te maken dat je zo snel mogelijk van het strand af kwam. Hij keek kort naar de plek waar hij vandaan was gekomen en zag zijn vader al dwingend naar hem zwaaien. Zijn zware stem bereikte hem echter niet. Het ruiste tussen zijn oren. Het leek opnieuw op witte ruis, maar hoe langer hij ernaar luisterde, hoe meer hij het als de zee vond klinken.          

      ‘Pat, toe nou!’ Het was Judiths stem die hem wel bereikte.

      Hij draaide zijn hoofd nog eens naar de tweede potvis en kreeg de smalle strook strand in het vizier die achter het dier verder om de kliffen heen draaide. Hij zag nog een hoge, donkere bult op de waterlijn. Een volgende walvis, die net aanspoelde.

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

08.12 | 16:47

Fijne feedtdagen en een gelukkig en gezond 2019 wenst jullie mam

...
29.11 | 10:22

Ik zal u in het achterhoofd houden!

...
29.11 | 10:22

Dankjewel!!!

...
27.11 | 20:00

heel mooi interview!!

...
Je vindt deze pagina leuk