De zee kent vele geheimen

De zee roept

De zee ademt

De zee is van mij, ik ben van de zee 

 

 

Proloog

 

12 juni 1973, Kaikoura, Nieuw-Zeeland

 

Ian drukte de deksel stevig vast op de laatste ton. Hij rochelde diep vanuit zijn keel en spuwde in het zand. Over zijn schouder zag hij zijn zoon Craig aankomen met de netten, die achter hem aan sleepten.

      ‘Jongen, kijk toch uit,’ bromde hij, zijn pijp uit de binnenzak van zijn vest opdiepend. ‘Hoe vaak heb ik je al gezegd dat je ze niet zo achter je aan moet laten slepen. Moeten er nog meer scheuren in komen? Je moeder was nu al aan het mopperen.’

      ‘Ja, pap.’

      Ian besloot de verveelde toon van zijn oudste zoon voor het gemak te negeren. Hij wist dat de jongen veel liever met zijn vrienden in de kroeg zat. Biertje drinken, naar meiden lonken. Hij had er de leeftijd voor en Ian kon het hem niet kwalijk nemen. Maar het hoogseizoen stond voor de deur en dat betekende dat hij hulp nodig had, en niet alleen bij het vissen en de verkoop. Ian gaf ook samen met zijn zoon en een collega workshops voor het schoonmaken en fileren van vis, die altijd goed bezocht werden. Ja, straks zou Kaikoura weer volstromen met toeristen en dan moest hij op zijn zoon kunnen bouwen.

      Ian klopte hem op zijn schouder toen Craig hem had bereikt. ‘Dank je, jongen, ik waardeer het zeer.’

      Er kon waarachtig een glimlach af bij Craig. ‘Geen dank, pap.’

      Ian zocht naar zijn tabak, maar kwam tot de conclusie dat hij dat niet bij zich droeg. ‘Jongen, mijn tabak ligt nog op de boot, zou je …’

      ‘Ik ga al.’

      Met een grijns keek Ian zijn zoon na toen deze terug naar hun vissersboot sjokte, alvorens hij zich ontfermde over de netten. Daar zou zijn Emily die avond nog de handen aan vol hebben.

      Ian kon het niet verklaren, maar iets maakte dat hij zich nog eens omdraaide om naar zijn zoon te kijken. Er ontsnapte hem spontaan een rilling toen hij een jonge vrouw naast Craig zag staan, bij de branding die de boot zachtjes op en neer deed dobberen. Haar haren waren onbeschrijflijk, alsof Ian groenblauw zeewier in de lucht zag wapperen. Ze waren zo lang dat ze haar hele lichaam leken te bedekken. De huid die zichtbaar was, was zo wit dat ze een gloed leek af te geven, als het schijnsel van de volle maan.

      Hete angst overviel hem. Misschien was het niet meer dan het primitieve instinct om zijn zoon te beschermen, maar hij begon naar hem te schreeuwen. ‘Craig! Craig, ga weg daar! Kom terug!’

      Craig reageerde op geen enkele manier. Hij leek druk in gesprek met de vrouw. Er was niet veel ruimte meer tussen hen over. Ian kreeg bijna een toeval toen ze een hand optilde en ermee langs Craigs wang streelde.

      Hij kwam in beweging. Het zand maakte het lastig veel vaart te maken, maar hij ploeterde vooruit, terwijl hij naar zijn zoon bleef roepen. Zijn voet bleef steken achter een stukje rots dat uit het zand stak en hij viel voorover op zijn buik. Zand spuwend keek hij op. Ian en de vrouw stonden met hun gezicht naar de zee en ze hield zijn hand vast.

      ‘Craig ...’ Ians stem was half weggeslagen van de paniek. Hij wist zichzelf overeind te hijsen en holde verder.

      Craigs blote voeten raakten de waterlijn.

      ‘Craig! Néé, blijf uit het water!’ Ian kreeg het beklemmende gevoel dat hij geen meter meer vooruitkwam, hoe hard hij ook rende. Hij zag hoe het water inmiddels al tot Craigs knieën kwam. Craig had zijn ogen enkel en alleen op de vrouw gericht.

      Tegen de tijd dat zijn zoon en de vrouw tot aan hun middel in het water stonden en de golven rondom hen braken, bevond Ian zich nog steeds op een twintigtal meter van het water.

      ‘Laat hem los! Craig!’ Tranen stroomden inmiddels over Ians wangen en hij kreeg geen lucht meer, maar hij bleef door rennen.

      Zijn zoon verdween met de vrouw onder water. Op datzelfde moment schoot Ian vooruit en viel bijna weer in het zand. Hij wist zich overeind te houden en nog wat extra vaart te maken. Het water voelde kil toen hij erin rende, ook al was het in deze tijd van het jaar al opgewarmd. Het bezorgde hem zelfs een ijzige pijn, die dwars door hem heen leek te snijden.

      ‘Craig! Craig!’ Ian dook onder, zocht naar zijn zoon. De schemering maakte het hem al niet gemakkelijk over het water heen te kijken, laat staan onder water iets te zien.

      Hij kwam boven van de zoveelste duik en voelde iets tegen zijn linkerarm aan botsen. Het was een voet. Zijn ogen volgden het been, het middenrif en de borstkas die bij de voet hoorden. Hij haalde lucht om naar adem te snakken, maar bleef halverwege steken.

      Craigs ogen waren wagenwijd open. Ze stonden niet angstig of zelfs maar verschrikt; eerder vol aangename verbazing. Om zijn half openhangende mond speelde een bijna gelukzalige glimlach.

      ‘Ian, ben jij dat?’

      Ian schrok op van de stem, die van heel ver leek te komen en nauwelijks volume had boven het water. Hij keek naar het strand en zag twee mannen, maten van hem, aan komen rennen.

      ‘Ian, wat doe je daar?’

      ‘Heb je hulp nodig?’

      Even zag hij niets meer door zijn tranen. Toen stelde zijn blik zich weer scherp. Hij schoof zijn armen onder het lichaam van zijn zoon en begon terug naar de kant te waden. Op het punt waar hij Craig helemaal in zijn armen tilde, trok het water hard aan hem, alsof het hem met alle geweld in zich wilde houden. Bijna had Ian eraan toegegeven, omdat zijn kracht hem drastisch snel had verlaten bij het zien van zijn dode zoon. Maar hij wilde hem tegen elke prijs uit het water hebben en er ver vandaan brengen.

      ‘Ian …’ Zijn maten schoten hem te hulp en probeerden woorden van troost over te brengen, maar Ian hoorde hen niet. Hij hoorde iets dat alleen zijn oren op dat moment hoorden. De plons, ver achter hem in zee.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.

 

De blauwe Toyota bevond zich op de verkeerde weghelft. Patrick hoorde hoe zijn zusje Judith naast hem haar longen vol lucht zoog. Zijn moeder Biddy stootte een kreet uit. Het enige dat zijn vader Frank kon doen, was hun auto zo snel en zo ver mogelijk naar links sturen. Met zo’n vijftig kilometer per uur zou een frontale botsing hen waarschijnlijk het leven kosten.

      Gelukkig zag de andere chauffeur hen op tijd en trok zichtbaar hard aan zijn stuur. Zonder ook maar een hand op te steken ter verontschuldiging hervatte de chauffeur zich bliksemsnel en trapte met veel kabaal zijn gaspedaal is. Binnen een oogwenk was hij achter hen verdwenen. Patrick zag Judith nog snel haar middelvinger naar hem opsteken, maar was te geschrokken om erom te lachen.

‘Jezus, wat een klootzak!’ zei Frank.

      ‘Wat deed hij op onze helft van de weg?’ Biddy’s stem was trillerig.

      ‘Zeker een Nederlander of zo.’

      Bijna stapvoets reden ze Baltimore in. De pracht van het schilderachtige Ierse vissersdorp bleef adembenemend, hoe vaak ze er ook al waren geweest. De twee jaar oudere zus van Biddy, Amber, runde hier al een hele tijd samen met haar man Ronald een hotel met kamers en ook een drietal cottages. De vader van Biddy en Amber was een rasechte Ier geweest en zijn gewoonten en tradities zaten diepgeworteld in de familie McGerald, ook al was Biddy al jong naar Nederland gegaan om daar een leven op te bouwen. Nadat opa McGerald elf jaar geleden was overleden, had Amber zijn levenswerk The Clearview Hotel & Cottages overgenomen en er een nog groter succes van gemaakt met haar onuitputtelijke energie en commerciële inzicht.

‘Aaaaaah!’ Judith drukte haar raam open en haalde diep adem.

      ‘Doe dicht, trut, zo gaat de airco naar de klote.’ Patrick keek opzij naar haar, maar werd afgeleid door de pracht van het landschap, dat na een lange bocht eindelijk goed zichtbaar werd. Bootjes dobberden op het water en daarachter glooiden heuvels met huizen her en der verspreid.

      Judith reageerde niet eens op zijn vriendelijke verzoek.

      ‘Wat heerlijk om terug te zijn,’ verzuchtte Biddy.        

     

The Clearview lag meteen aan het begin van de straat rechts, aan het water van de baai. Het dieprode gebouw doemde op tussen de bomen en leek een kasteeltje met de twee puntdaken en een lange rechterzijde, die bijna volledig begroeid was met klimop. De accommodatie had een grote lap grond erachter liggen, waar gasten konden parkeren. Er werden wat kippen en schapen gehouden en tussen het hotel en het water bevond zich de ruïne van een kleine kerk met een kerkhof.

      Zodra Frank de huurauto voor de deur had geparkeerd om de bagage te lossen, vloog de receptiedeur van het hotel open. Een vrouw met opgestoken, oranjerood haar kwam naar buiten gevlogen met een vaatdoek nog in haar handen en een besmeurd schort voor. Patrick kon in de gauwigheid niet herkennen of het geronnen bloed of gesmolten chocolade was. Ze liet de doek op de grond vallen toen Biddy haastig uitstapte en een tel later stonden de twee zussen elkaar te omhelzen.

      ‘Help jij me met de bagage, Pat, dan geven we die twee even een moment,’ zei Frank.

      Patrick stapte met tegenzin uit. Ondanks de pracht en sfeer van deze plaats had hij weinig zin gehad in deze vakantie. Het was voor hem niet het juiste moment geweest om weg te gaan uit Nederland. Eigenlijk het allerslechtste moment.

      ‘Trek eens een vrolijker gezicht, jongen,’ gebood zijn vader. ‘We zijn op vakantie en het is schitterend weer.’

      ‘Hij zit aan zijn vriendinnetje te denken,’ zei Judith op een pesterige toon, die eigenlijk al lang niet meer paste bij haar zeventien jaar.

      ‘Ze is mijn vriendinnetje niet!’ brieste Patrick voor hij zich in kon houden. Dat was nou juist waar ze op hoopte.

      ‘Maar dat zou je zooooo graag willen, hè!’ Judiths lichtgroene ogen bekeken hem oplettend en spottend. ‘Ik zie wel hoe je naar haar ronde borsten en wiegende heupen kijkt. Denk je niet dat ze een beetje te oud voor jou is?’

      ‘Houd je bek!’ Patrick tilde een koffer uit de  auto en zorgde ervoor dat hij expres hard tegen zijn zusje aan stootte toen hij haar passeerde. Ze lachte er alleen maar om.

      ‘Je bent een kreng, weet je dat?’

      ‘Maar je houdt wel van me.’

      ‘In je dromen!’

      ‘Nee, in mijn dromen ben ik enig kind en heb ik niet zo’n loser van een grote broer die niet eens weet hoe je een meisje moet aanspreken. Ik daarentegen …’

      ‘Genoeg, allebei,’ schalde de stem van hun vader door het bekvechten heen. ‘Maak jezelf liever nuttig.’

      In de stilte die volgde, sleepte ook Judith een tas uit de auto. Ze keek toe hoe Frank zijn schoonzus eveneens omarmde en siste toen snel achter haar tanden naar Patrick: ‘Loser!’

      Patrick besloot dat het verstandiger was haar te negeren en ging met een koffer de ontvangstruimte van The Clearview in. Hij stapte net over de drempel toen iemand hem hard tussen zijn schouderbladen sloeg. Hij was blij dat de koffer op wieltjes bijna vanzelf achter hem aan rolde, anders had hij hem ongetwijfeld laten vallen.

      Een beer van een vent stond voor zijn neus. Gitzwarte haren vielen dik en piekerig tot in zijn stierennek. Zijn ogen glommen als kooltjes, maar de lachrimpels eromheen gaven ze een zachtaardige en zelfs lollige uitstraling. Zijn gezicht was knap, voor zover Patrick dat kon beoordelen van iemand van hetzelfde geslacht. Het enige dat op de een of andere manier misplaatst leek op zijn gelaat was zijn grote aardappelneus.

      Het waren niet alleen de goed getrainde spieren die van Ronald, de echtgenoot van tante Amber, een kleerkast maakten; de man was van zichzelf al lang en breed. Patrick voelde eens te meer de enorme kracht van zijn oom toen deze hem met beide armen rond zijn middel pakte en hem daadwerkelijk de lucht in tilde.

      ‘Daar zijn jullie eindelijk!’ jubelde hij met zijn Ierse accent. Hij schudde Patrick een paar maal op en neer en zette hem toen zo onbehouwen weer neer, dat de klap door Patricks benen trilde en hij een tel nodig had om zijn evenwicht te hervinden.

      ‘Oom Ron’, begroette Patrick hem, eveneens in het Engels. Zijn accent was lang niet zo mooi en zou dat ook nooit worden, aangezien hij hier nooit langer dan drie weken in een jaar was.

      ‘Wat ben je gegroeid, jongen! Als je geluk hebt, word je nog eens zoals ik!’ Hij krulde zijn rechterarm en liet even de met dikke aderen doorweven biceps zien.

      ‘Dat betwijfel ik ten zeerste.’ Judith dook achter Patrick op en liet de tas die ze had gedragen op de houten vloer ploffen om Ronald in de armen te vliegen. Zij werd eveneens opgetild, maar ook nog eens flink in de rondte gezwaaid, waarbij ze gilde als een klein kind.

      Ondanks het feit dat Patrick liever thuis was gebleven en zichzelf zo zoetjes aan met zijn twintig jaar te oud vond om nog met zijn ouders en zusje op vakantie te gaan, deden de geur en de vele herinneringen die in The Clearview hingen hem goed. Nadat de begroetingen met Amber en Ronald waren afgerond, werden ze getrakteerd op thee met verse scones en zelfgemaakte koekjes. Het diner dat Amber haar chef-kok in de avond liet bereiden, was veel te veel, maar wel schandalig lekker.

      Tegen de tijd dat de koffie werd opgediend met een notentaart die niemand nog weg kreeg, maar watertandend aannam, kon Patrick niet eens meer verklaren waarom hij hier nou zo tegenop had gezien. Helaas kon hij het bij die gedachte niet voorkomen dat het beeld van de rondborstige Carla weer voor zijn geestesoog schoof. Twaalf jaar ouder dan hij en toch wist hij zeker dat hij zich nog nooit zo had gevoeld. Het zinkende gevoel in zijn maag maakte dat hij het stuk verrukkelijke taart voor de helft liet staan.

      Judiths blik vond die van hem en hij wist dat ze zo door hem heen kon zien. Hoewel ze drie jaar jonger was en ze meer met elkaar kibbelden dan iets anders, voelde ze hem altijd feilloos aan. Het was vaak alleen de vraag of ze hem ging pesten met dat wat ze aan hem meende te zien, of hem juist zou steunen.

      Tot Patricks opluchting koos Judith op dat moment voor het laatste. Ze zette haar kop thee terug op het schoteltje en kwam luidruchtig overeind. ‘Zin om even een frisse neus te halen, Pat?’

      ‘Goed.’

      ‘Ik weet dat het hier een stuk veiliger is dan bij ons,’ begon Biddy,’ maar ik wil je toch even goed op het hart drukken voorzichtig te zijn, Pat. Het is immers al bijna donker en je weet nooit …’

      ‘Ma-ham, we zijn geen baby’s meer.’ Onverwachts greep Judith naar Patricks hand toen die eenmaal overeind was gekomen en trok hem de kamer uit.

 

In de haven van Baltimore zelf was weinig te beleven. Naast een pub, een minisupermarkt en een restaurant zat er niet veel. Voor het nachtleven kon je beter een nabijgelegen stad bezoeken, maar die gelegenheid was er nu niet. Het was op dat moment echter voldoende om langs het kalme water te lopen en het eten te laten zakken.

      ‘Er is hier niets veranderd.’ Judiths hoofd was naar de babyblauwe, roze en mintblauw geschilderde huisjes gericht.

      Patrick gaf antwoord met een zacht keelgeluid. Het water had zijn aandacht. De manier waarop de bijna volle maan op het oppervlak weerkaatste, werkte bijna hypnotiserend.

      ‘Misschien kunnen we van de week eens een drankje doen in de pub?’

‘Mag je daar wel naar binnen dan?’

Ze trilde met haar tong, alsof ze proestte, maar Patrick wist dat het geluid verontwaardigd bedoeld was. ‘Ja, hoor, ik heb het nagekeken. Ze kunnen om een identiteitsbewijs vragen, maar vaak alleen als ik daadwerkelijk alcohol zou bestellen. Zouden ze jou zelfs kunnen vragen met je babyface.’

      Voor de afwisseling besloot Patrick de wijzere te zijn.

      ‘Waar zit je toch naar te kijken?’

      Hij merkte niet snel genoeg dat Judith bleef staan, waardoor ze hem bij zijn elleboog greep.

      ‘Gewoon, naar het water.’ Geërgerd trok hij zich los.

      Een ouder echtpaar passeerde hen en Patrick keek opzij om hun vriendelijke groet te beantwoorden.

      ‘Hé, kijk, een zeehond!’ Judith wees naar een plek op het water waar de maan bijna helemaal in weerspiegeld werd. Als een rimpelige, golvende tweeling.

      Patrick zag de kop ook boven het water uit steken. Het beeld leek op de een of andere manier niet te kloppen, maar hij kon er de vinger niet op leggen.

      ‘Het is net of hij haren heeft, die op de wind zweven, zie je dat?’

      Patrick vernauwde zijn ogen. Het verscherpte zijn zicht nauwelijks, maar de wind hielp een handje. Zijn ogen schoten weer open.

      Judith grinnikte. ‘Hij is precies onder een hoopje zeewier boven water gekomen. Grappig gezicht.’

      ‘Ja.’ Hij knipperde met zijn ogen en de zeehond dook onder.

      ‘Ik hoop dat we er nog veel meer gaan zien, deze vakantie.’ Zijn zusje zette zich weer in beweging. ‘En ik wil ook eindelijk eens bultruggen zien, Pat. Laten we mam en pap duidelijk maken dat we zo’n whale watching tour willen doen. Ze beloofden het elke keer en nooit kwam het ervan. Mijn enige beeld van een walvis is ooit een staart aan de horizon geweest. Ik ga er dit keer echt werk van maken. En jij gaat me helpen. Pat?’

      Patrick had elk woord gehoord, kon het alleen niet registeren. Hij realiseerde zich dat hij nog steeds naar de maan in het water staarde. En dat de fijne haartjes in zijn nek overeind stonden.

      ‘Hé.’ Judiths hand op zijn onderarm brak de trance.

      ‘Ja, sorry, tuurlijk. Gaan we doen.’

      Ze fronste haar wenkbrauwen. Wenkbrauwen die eigenlijk te borstelig en te breed waren voor een jonge meid als zij, besefte hij opeens. In de jaren tachtig had dat trekje bij het beeld van een mooie vrouw gehoord. Tegenwoordig zag je het nauwelijks nog, doordat de meeste vrouwen heel jong al met epileren begonnen. Net als Carla. Haar wenkbrauwen waren goed onderhouden fijne lijntjes, die ze elegant met een bruin oogpotlood natrok. Het stond haar prachtig. Hij had Judith vaker gepest met haar wenkbrauwen, maar hij merkte dat hij het haar niet lelijk vond staan. Het hoorde bij haar.

      ‘Wat sta je ontzettend raar te kijken, gast,’ zei ze.

      ‘Sorry, ik …’

      ‘Het kan me niet verdommen dat je aan je liefje denkt, maar kijk mij daarbij niet aan, ja!’ Haar passen werden wat kordater en Patrick moest even moeite doen haar in te halen. ‘We lopen tot aan het einde van de haven en dan gaan we terug, goed?’ Ze keek hem op een voorzichtige manier van opzij aan.

      Patricks gedachten kwamen en gingen, net als het getij. Net als de golfjes die aan de kade knabbelden en zo vredig klonken. Hij kende het gevoel van een dejà-vu, maar dit was anders. Het maakte hem rusteloos. 

 

Voordat hij die avond zijn bed in stapte, keek hij nog even uit zijn raam. De contouren van de kerkruïne werden afgetekend tegen het maanlicht. Doordat zijn raam op een kier stond, kon hij het kabbelen van het water en de branding verderop horen. Ook zag hij de half gezonken boot, die daar ooit was vergaan en als een soort monument nooit uit het water was gehaald.

      Hij wilde net de gordijnen dicht doen en gaan slapen toen hij in het licht van de maan beweging zag bij de ruïne. Het was niet meer dan een schim, maar Patrick kon zien dat het een mens was die in gekromde houding en bijna sluipend een stukje om de ruïne heen liep met een zaklamp en er vervolgens in verdween. Daarna meende hij een geluid te horen dat op het slijpen van steen leek, maar een motorboot die op datzelfde moment langs voer, overstemde het. Hij besloot niet te wachten tot de boot voorbij was en hoorde het geluid ook naderhand toen hij in bed lag niet meer, want de slaap had hem snel gevonden

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

30.04 | 04:54

Heb je gehoord van heer Bubuza ?? De grote spreukgieter die alle dingen kan doen met zijn krachtige spreuk ??? Ik ben een paar jaar geleden verliefd geworden op Ronny en onze relatie was prachtig in die zin dat onze vrienden jaloers op ons waren. Twee maa

...
08.12 | 16:47

Fijne feedtdagen en een gelukkig en gezond 2019 wenst jullie mam

...
29.11 | 10:22

Ik zal u in het achterhoofd houden!

...
29.11 | 10:22

Dankjewel!!!

...
Je vindt deze pagina leuk